BEDIENINGS- EN BESTURINGSINRICHTING 3
NL-13
3.4 WAARSCHUWINGEN VOOR DE BESTUURDER _________________________________
De elektronische controller bewaakt vitale
machinesystemen en gebruikt een geluidsalarm en
waarschuwingslampjes om de bestuurder te attenderen op
omstandigheden die onmiddellijke aandacht vereisen.
Wanneer een dergelijke waarschuwing wordt gegeven, volg
dan de algemene richtlijnen die in onderstaande tabel zijn
vermeld en voer specifieke acties uit op aanwijzing van de
plaatselijke opzichter of servicemanager.
Testen van het alarmsysteem:
Zet de contactschakelaar in de AAN-stand. Alle lampjes
gaan gedurende een of meer seconden branden en het
alarm treedt kortstondig in werking.
Dit systeem controleert:
1. Het hydrauliekoliepeil.
2. De motoroliedruk.
3. De temperatuur van het motorkoelmiddel.
4. Het hydraulisch oliefilter.
5. De accuspanning.
6. Dubbele activering van rem en tractiepedaal.
Afb. 3C
2
3
1
4
5
LF004
Waarschuwing Actie
1.
Hydrauliekoliepeil -
Het alarm
begint te werken en het waarschu-
wingslampje voor het hydraulieko-
liepeil gaat branden. Het peil is
lager dan wordt aanbevolen.
Stop de tractor onmiddellijk, laat de hulpstukken neer en zet de motor stil.
Voer
een visuele inspectie van de machine uit op duidelijke tekenen van lekkage rond
aansluitingen, in slangen en hydraulische onderdelen. Breng de tractor naar een
servicefaciliteit voor onderhoud/reparatie.
VOORZICHTIG:
hydraulische vloeistof staat onder druk. Na het stilzetten van
de motor dient de vloeistof eerst af te koelen voordat het peil wordt
gecontroleerd of de hydraulische tank met olie wordt bijgevuld.
2.
Motoroliedruk -
Het alarm begint
te werken en het waarschu-
wingslampje voor de motoroliedruk
gaat branden. De oliedruk is te
laag.
Stop de tractor onmiddellijk, laat de hulpstukken neer en zet de motor stil.
Inspecteer het oliepeil in de motor. Als het lampje blijft branden terwijl het oliepeil
bevredigend is, sleep of vervoer de tractor dan met uitgeschakelde motor naar een
servicefaciliteit. Zolang dit waarschuwingslampje brandt, mag
NOOIT
worden gestart,
aangezien ernstige beschading van de motor hiervan het gevolg kan zijn.
3.
Temperatuur motorkoel-middel -
Het alarm begint te werken. De
temperatuur van het motorkoe-
lmiddel is te hoog.
Stop de tractor onmiddellijk, laat de hulpstukken neer en zet de motor stil.
Verwijder afval zoals bladeren en grasknipsel waardoor de luchtstroming door het
achterscherm op de kap en het gedeelte tussen de radiateur en de oliekoeler wordt
belemmerd. Als de motortemperatuur te hoog blijft, breng de tractor dan naar een
servicefaciliteit.
VOORZICHTIG:
het motorkoelmiddel staat onder druk. Na het stilzetten van de
motor moet de vloeistof eerst voldoende afkoelen voordat het peil wordt
gecontroleerd en koelmiddel aan de radiateur wordt toegevoegd.
4.
Hydraulisch oliefilter -
Het
waarschuwingslampje voor het
oliefilter blijft branden.
Breng de tractor zo spoedig mogelijk naar een servicefaciliteit.
Vervang de
hydraulische oliefilters.
5.
Accuspanning -
Het waarschu-
wingslampje voor de accuspanning
gaat branden.
Breng de tractor zo spoedig mogelijk naar een servicefaciliteit.
Inspecteer de
accu en het acculaadsysteem.
6. Rijden met aangetrokken rem -
alarmsignaal klinkt.
Zet de parkeerrem vrij of haal de voetdruk van de pedalen.
Voortgezette werking
met zowel de rem- als tractiepedaal ingedrukt laat de motor in 10-60 seconden
afslaan, afhankelijk van de volgorde van het pedaalgebruik.
!
!